Wat is een dukdalf?
Een dukdalf is een afmeer- of beschermingsconstructie, meestal uitgevoerd als gelaste stalen buispaal met projectspecifieke diameter, wanddikte, lengte en staalsoort.
Een dukdalf is een vrijstaande waterbouwkundige paal of paalconstructie waaraan schepen kunnen afmeren, waartegen zij gecontroleerd kunnen aanleggen of waarmee kwetsbare haveninfrastructuur tegen scheepsaanvaringen wordt beschermd. Dukdalven staan onder meer bij kades, steigers, terminals, sluizen, bruggen, vaarwegen en havenbekkens.
Traditionele dukdalven kunnen uit een bundel houten palen bestaan. Moderne dukdalven voor grotere binnenvaartschepen en zeeschepen worden meestal uitgevoerd als ƩƩn zware stalen buispaal of als een constructie van meerdere stalen buispalen. De buis vormt daarbij zowel het funderingselement als het dragende onderdeel van de afmeer-, aanleg- of beschermingsconstructie.
De termen dukdalf, meerdukdalf, afmeerdukdalf, aanlegdukdalf, fenderdukdalf, stalen meerpaal en dolphin worden in de praktijk soms door elkaar gebruikt. De precieze functie bepaalt welke belastingen moeten worden opgenomen en welke buisdiameter, wanddikte, staalsoort, paallengte en funderingsdiepte nodig zijn.
Waarvoor wordt een dukdalf gebruikt?
Een dukdalf kan verschillende functies hebben. De constructie kan dienen als afmeerpunt, als ondersteuning tijdens het aanleggen of als bescherming van een brug, sluis, kade of andere waterbouwkundige constructie. EƩn dukdalf kan meerdere functies combineren.
Afmeerdukdalf
Een afmeerdukdalf, internationaal aangeduid als mooring dolphin, vormt een vast punt voor de landvasten van een schip. Op de dukdalf worden bijvoorbeeld bolders of afmeerhaken geplaatst. De trekkrachten uit de trossen worden via de bovenbouw en de stalen buispaal aan de ondergrond overgedragen.
De afmeerkrachten worden onder andere veroorzaakt door wind, stroming, golven en veranderingen in de waterstand. De positie van de dukdalf en de richting van de landvasten bepalen mede hoe groot de belasting op de buispaal wordt.
Aanlegdukdalf
Een aanlegdukdalf, fenderdukdalf of breasting dolphin ondersteunt een schip tijdens het aanleggen. De constructie wordt meestal voorzien van een fender, wrijfbalk of ander energieabsorberend systeem dat de contactkracht op de scheepshuid beperkt.
De aanmeerenergie kan door de fender worden opgenomen, maar ook gedeeltelijk door de vervorming van de stalen buispaal. De fender, dukdalf, het schip en de bodem moeten daarom als ƩƩn samenwerkend systeem worden beschouwd.
Beschermingsdukdalf
Een beschermingsdukdalf of protection dolphin wordt voor een kwetsbaar object geplaatst. Voorbeelden zijn brugpijlers, sluisdeuren, kademuren, steigers, leidingbruggen en laadplatforms.
De constructie moet voorkomen dat een afwijkend of stuurloos schip rechtstreeks tegen het achterliggende kunstwerk vaart. Bij deze toepassing kan een uitzonderlijke aanvaringsbelasting maatgevend zijn, in plaats van de belasting tijdens een normale aanlegmanoeuvre.
Welke stalen buis wordt voor een dukdalf gebruikt?
Voor een zwaarbelaste dukdalf wordt doorgaans een ronde, gelaste stalen buispaal met een grote buitendiameter gebruikt. De exacte wanddikte, lengte en staalsoort worden per project bepaald.
De ronde doorsnede is constructief gunstig omdat de buis in iedere horizontale richting dezelfde geometrische eigenschappen heeft. Dat is belangrijk bij een havenconstructie waarop wind, stroming, golven, landvasten en scheepscontact vanuit verschillende richtingen kunnen aangrijpen.
Een stalen dukdalfbuis wordt in de praktijk ook aangeduid als funderingsbuis, heibuis, constructiebuis, afmeerpaal, aanmeerpaal, buispaal, tubular pile of steel tubular pile. Bij een flexibele dukdalf bestaat de hoofddraagconstructie vaak uit ƩƩn stalen buispaal die door gecontroleerde vervorming een deel van de aanmeerenergie kan opnemen.
Langsnaadgelaste en spiraalgelaste buizen
Grote buispalen kunnen langsnaadgelast of spiraalgelast worden vervaardigd. Een langsnaadgelaste buis wordt uit een gewalste staalplaat gevormd en over de lengte gelast. Een spiraalgelaste buis wordt uit staalband gevormd, waarbij de lasnaad spiraalvormig rond de buis loopt.
Beide productiemethoden kunnen geschikt zijn voor een dukdalf, mits de buis, het basismateriaal, de lasnaden, maattoleranties en materiaalcertificaten voldoen aan de technische projectspecificatie.
Naadloze buizen zijn technisch niet uitgesloten, maar worden voor de zeer grote diameters van zware havenconstructies doorgaans niet toegepast. Gelaste stalen buizen zijn in grote diameters, zware wanddiktes en projectspecifieke lengtes beter beschikbaar.
Welke diameter heeft een stalen dukdalf?
Er bestaat geen standaarddiameter voor een dukdalf. De benodigde buitendiameter volgt uit de maatgevende belasting, de vrije paallengte boven de waterbodem, de bodemstijfheid, de gewenste vervorming en het vereiste draagvermogen.
Bij zware havenconstructies worden regelmatig stalen buispalen met een diameter van meer dan ƩƩn meter toegepast. In grote zeehavens kunnen de diameters oplopen tot circa 3.000 millimeter. Dit zijn praktijkindicaties en geen vaste ontwerpmaten.
Een grotere buitendiameter verhoogt het traagheidsmoment en het weerstandsmoment van de buis sterk. Hierdoor neemt de buigstijfheid toe en kan de constructie bij gelijkblijvende omstandigheden grotere horizontale krachten opnemen of kleinere verplaatsingen vertonen.
De diameter mag echter niet los van de wanddikte worden gekozen. Bij een flexibele dukdalf is gecontroleerde paalvervorming onderdeel van de werking. Een zeer stijve buis is dan niet automatisch gunstiger, omdat hierdoor grotere fenderreacties en hogere lokale belastingen kunnen ontstaan.
Bij het bepalen van de juiste diameter van een stalen buis voor een dukdalf worden onder andere de volgende factoren beoordeeld:
- het type, de afmetingen en de waterverplaatsing van het maatgevende schip;
- de naderingssnelheid en aanmeerhoek;
- de krachten uit landvasten en afmeerpunten;
- wind-, golf- en stromingsbelasting;
- de waterdiepte en vrije paallengte;
- de bodemopbouw en zijdelingse grondsteun;
- de positie van fenders, bolders en platforms;
- de gewenste flexibiliteit en maximale verplaatsing;
- de corrosietoeslag en ontwerplevensduur;
- de uitvoerbaarheid tijdens transport, hijsen en heien.
Welke wanddikte heeft een dukdalf nodig?
Ook voor de wanddikte van een stalen dukdalf bestaat geen algemene standaardwaarde. De benodigde wanddikte wordt berekend op basis van de spanningen, vervormingen, lokale stabiliteit, vermoeiingsbelasting, corrosie en belastingen tijdens het installeren.
Bij grote dukdalven kunnen wanddiktes van enkele tientallen millimeters nodig zijn. Binnen ƩƩn buispaal kunnen verschillende wanddiktes worden gecombineerd. De zwaarste buissectie bevindt zich vaak rond de overgang tussen de vrijstaande paal en de waterbodem, omdat daar grote buigmomenten kunnen optreden.
Ook bij de dukdalfkop, fenderaansluitingen, bolders, hijspunten, lasverbindingen en overgangen tussen buissecties kunnen plaatselijk hogere spanningen ontstaan. Op deze locaties kan daarom een grotere wanddikte of aanvullende verstijving nodig zijn.
Diameter-wanddikteverhouding
De verhouding tussen de buitendiameter en de wanddikte wordt aangeduid als de D/t-verhouding. Een grote diameter in combinatie met een relatief dunne wand verhoogt het risico op lokale knik, ovalisatie of plooivorming.
De wanddikte moet daarom niet alleen voldoende zijn voor de berekende nominale spanning. Ook de stabiliteit, vervormingscapaciteit en robuustheid van de ronde buisdoorsnede moeten worden gecontroleerd.
Daarnaast moet de buis bestand zijn tegen transport- en installatiebelastingen. Een constructief efficiƫnte, dunwandige buis kan tijdens hijsen, positioneren, trillen of heien gevoelig zijn voor indeuken en lokale vervorming.
Welke staalsoort wordt voor een dukdalf gebruikt?
Voor een dukdalf wordt meestal constructiestaal toegepast met een goede combinatie van sterkte, taaiheid en lasbaarheid. S355 is een veelgebruikte sterkteklasse voor zware constructiebuizen, funderingsbuizen en waterbouwkundige buispalen.
De aanduiding S355 is op zichzelf niet voldoende voor een volledige materiaalspecificatie. Ook de subkwaliteit, productnorm, leveringstoestand, materiaaldikte, ontwerptemperatuur, kerfslagtaaiheid en lasbaarheid moeten worden vastgelegd.
S355J2H voor constructieve buizen
S355J2H kan worden toegepast wanneer de buis wordt geleverd als constructief hol profiel volgens een passende productnorm. De aanduiding bestaat uit verschillende onderdelen:
| Onderdeel | Betekenis |
|---|---|
| S | Constructiestaal |
| 355 | Vloeigrensklasse voor de in de norm aangegeven materiaaldiktes |
| J2 | Minimaal 27 joule kerfslagenergie bij ā20 °C |
| H | Hollow section, oftewel constructief hol profiel |
De letter H geeft niet aan of de buis langsnaadgelast, spiraalgelast, koudgevormd, warmvervaardigd of naadloos is. Daarvoor moeten de productnorm, productiemethode en volledige technische documentatie worden geraadpleegd.
Bij grotere materiaaldiktes kan de minimale vloeigrens lager zijn dan de nominale waarde van 355 MPa. De materiaaldikte en bijbehorende eisen uit de toepasselijke norm moeten daarom altijd worden gecontroleerd.
Uit plaatstaal vervaardigde dukdalfbuizen
Wanneer een grote dukdalfbuis projectspecifiek uit staalplaat wordt vervaardigd, kan een staalplaatkwaliteit volgens EN 10025 worden voorgeschreven. Een voorbeeld is een passende kwaliteit binnen de S355-familie, zoals S355J2+N.
Een uit plaat vervaardigde buis van S355J2+N en een constructief hol profiel van S355J2H mogen niet automatisch als gelijkwaardig worden beschouwd. De productnorm, leveringstoestand, toleranties, mechanische eigenschappen en beproevingsvereisten kunnen verschillen.
Voor specifieke projecten kunnen ook hogere sterkteklassen, zoals S420 of S460, worden overwogen. Een hogere vloeigrens betekent echter niet automatisch dat de wanddikte evenredig kan worden verminderd. Lokale knik, vermoeiing, lasbaarheid, kerfslagtaaiheid, corrosie en heiweerstand kunnen maatgevend blijven.
Welke belastingen werken op een dukdalf?
Een stalen dukdalf is in de eerste plaats een horizontaal belaste buispaal. De aard en grootte van de belasting hangen af van de functie van de constructie.
Bij een afmeerdukdalf ontstaan trekkrachten wanneer wind, golven en stroming het afgemeerde schip verplaatsen en de landvasten op spanning komen. De krachten worden via de bolders of afmeerhaken aan de dukdalfkop en vervolgens aan de stalen buispaal overgedragen.
Bij een aanlegdukdalf wordt de belasting mede bepaald door de aanmeerenergie van het schip. Daarbij spelen onder meer de scheepsmassa, waterverplaatsing, naderingssnelheid, aanmeerhoek, positie van het contactpunt en de eigenschappen van het fendersysteem een rol.
Bij een beschermingsdukdalf kan een uitzonderlijke scheepsaanvaring maatgevend zijn. Deze belasting verschilt wezenlijk van de krachten die tijdens een normale aanlegmanoeuvre ontstaan.
Bij het ontwerp kunnen onder meer de volgende belastingen en omstandigheden relevant zijn:
- afmeerkrachten uit landvasten en trossen;
- aanmeerenergie en fenderreacties;
- windbelasting op het schip en de constructie;
- stromings- en golfbelasting;
- wisselende waterstanden en getij;
- ijsbelasting en drijvend materiaal;
- aanvaringsbelasting;
- axiale belasting uit de bovenbouw;
- cyclische belasting en vermoeiing;
- corrosieverlies en beschadigingen;
- ontgronding rond de stalen buispaal.
Hoe wordt de juiste stalen buis voor een dukdalf berekend?
De keuze van een stalen buis voor een dukdalf begint bij de functie en de maatgevende belastingsituatie. De beschikbare buismaat is dus niet het uitgangspunt. Eerst worden de schepen, omgevingscondities, funderingsomstandigheden en constructieve eisen vastgesteld.
Vervolgens worden constructieve en geotechnische berekeningen gecombineerd. De staalconstructie wordt onder meer gecontroleerd op:
- buigmoment en dwarskracht;
- axiale trek- en drukkracht;
- spanningen en plastische vervorming;
- horizontale verplaatsing en rotatie;
- lokale knik en schaalinstabiliteit;
- ovalisatie van de buisdoorsnede;
- vermoeiing van het basismateriaal en de lasdetails;
- lokale belasting bij fenders en bolders;
- reststerkte na corrosieverlies;
- belastingen tijdens transport en installatie.
De bodem rondom het ingeheide deel van de buis levert de zijdelingse steun. De grondopbouw bepaalt daardoor mede waar de grootste buigmomenten ontstaan en hoeveel de dukdalf onder belasting verplaatst.
Voor het geotechnische ontwerp zijn sonderingen en aanvullend bodemonderzoek nodig. Belangrijke gegevens zijn de laagopbouw, grondsterkte, grondwaterstand, waterdiepte, kans op ontgronding en het gedrag van de bodem bij herhaalde belasting.
Bij een flexibele dukdalf is de paal-bodeminteractie essentieel. Een verandering in diameter, wanddikte, inheidiepte, bodemstijfheid of fenderstijfheid kan de energieverdeling en krachten in de volledige aanlegconstructie beĆÆnvloeden.
Hoe diep moet een dukdalf worden geheid?
Er bestaat geen vaste inheidiepte voor een stalen dukdalf. De vereiste paallengte onder de waterbodem wordt bepaald met een geotechnische en constructieve berekening.
Een dukdalf in een ondiepe binnenhaven met draagkrachtige zandlagen kan een andere inbedding nodig hebben dan een dukdalf bij een diepzeeterminal met dikke slappe klei- of veenlagen.
De funderingsdiepte wordt onder meer beĆÆnvloed door:
- de waterdiepte;
- de bodemopbouw;
- de diameter en wanddikte van de buis;
- de vrije paallengte boven de bodem;
- de maximale horizontale belasting;
- de toegestane verplaatsing;
- de aanwezigheid van harde grondlagen of obstakels;
- mogelijke ontgronding rond de paal.
Een grotere inheidiepte levert niet in iedere situatie dezelfde extra stijfheid op. Zodra diepere grondlagen nauwelijks bijdragen aan de relevante zijdelingse grondreactie, kan extra buislengte constructief minder effectief worden.
Hoe wordt een stalen dukdalf geplaatst?
Een grote stalen buispaal voor een dukdalf wordt meestal vanaf een ponton, kraanschip of tijdelijk werkplatform aangebracht. De buis wordt met een heiframe of geleideconstructie op de juiste positie en onder de juiste helling geplaatst.
De buispaal kan vervolgens met een trilblok, hydraulische heihamer of combinatie van beide in de waterbodem worden gebracht. De gekozen installatiemethode hangt af van de bodemopbouw, buisafmetingen, heiweerstand, bereikbaarheid en eisen aan geluid en trillingen.
Een trilblok kan geschikt zijn voor het passeren van minder weerstandbiedende bodemlagen. Voor het bereiken van de definitieve diepte of het passeren van compacte zandlagen kan een heihamer nodig zijn. Bij harde lagen, obstakels of strenge omgevingsvoorwaarden kunnen voorboren of andere installatiehulpmiddelen worden toegepast.
Open buispalen en grondproppen
Veel dukdalfbuizen worden als open buispaal aangebracht. Tijdens het heien kan grond in de buis binnendringen. Afhankelijk van de diameter, bodemgesteldheid en inheidiepte kan zich een grondprop in de buis vormen.
Of de grond in de buis blijft zitten, wordt verwijderd of in het constructieve model wordt meegenomen, hangt af van de ontwerp- en uitvoeringsmethode.
Samenstellen van meerdere buissecties
Zeer lange stalen dukdalven worden vaak uit meerdere buissecties opgebouwd. De delen worden met rondlassen aan elkaar verbonden. Daarbij zijn uitlijning, rechtheid, ovaliteit, laskantvoorbereiding, wanddikteovergangen en laskwaliteit belangrijke aandachtspunten.
De lasverbindingen moeten bestand zijn tegen zowel de gebruiksbelasting als de krachten tijdens transport, hijsen, trillen en heien. Afhankelijk van de projectspecificatie kunnen de lassen visueel, ultrasoon, magnetisch of radiografisch worden onderzocht.
Wordt een stalen dukdalf gevuld met beton?
Een stalen dukdalf blijft vaak geheel of grotendeels hol. Het vullen van de buis met beton, grout, zand of een ander materiaal is geen standaardvereiste.
Lokale beton- of groutvulling kan worden toegepast bij de bevestiging van een bolder, fenderconstructie, dukdalfkop of zwaar belast verbindingsdetail. Volledige betonvulling kan onderdeel zijn van een samengestelde staal-betonconstructie, maar moet dan expliciet in de constructieve berekening worden meegenomen.
Vulling kan invloed hebben op het gewicht, de lokale stabiliteit, buigstijfheid, vervormingscapaciteit en dynamische respons. Een gevulde buis is daarom niet automatisch sterker of beter geschikt als afmeerpaal.
Ook de samenwerking tussen staal en beton, belastingoverdracht, krimp, scheurvorming, uitvoerbaarheid en inspecteerbaarheid moeten worden beoordeeld.
Hoe wordt een stalen dukdalf tegen corrosie beschermd?
Een dukdalf loopt door verschillende corrosiezones. Boven water bevindt zich de atmosferische zone. Rond de waterlijn liggen de spatwater- en getijdenzone. Daaronder bevinden zich de permanent ondergedompelde zone en het gedeelte dat in slib, zand of andere bodemlagen is geheid.
De corrosiesnelheid is niet in iedere zone gelijk. Vooral de spatwaterzone kan zwaar worden belast door wisselende nat-droogcycli, zuurstof, chloriden en mechanische beschadigingen.
Voor een lange ontwerplevensduur wordt vaak een combinatie van de volgende maatregelen toegepast:
- een constructieve corrosietoeslag;
- een maritiem coatingsysteem;
- extra bescherming van de spatwaterzone;
- kathodische bescherming met opofferingsanodes;
- kathodische bescherming met opgedrukte stroom;
- periodieke wanddiktemetingen;
- inspectie en herstel van beschadigde coatings.
Bij kathodische bescherming wordt de corrosie van het ondergedompelde staal beperkt met opofferingsanodes of een systeem met opgedrukte stroom. De techniek werkt alleen op staaloppervlakken die voldoende elektrisch contact hebben met water of een andere elektrolyt.
De spatwaterzone kan niet volledig door kathodische bescherming worden beschermd, omdat deze zone regelmatig droogvalt. Hier zijn doorgaans een geschikt coatingsysteem, extra materiaaldikte of aanvullende beschermingsmaatregelen nodig.
De binnenzijde van een open buispaal moet afzonderlijk worden beoordeeld. Wanneer water en zuurstof kunnen binnendringen, kan ook interne corrosie optreden. Afhankelijk van de constructie kunnen afdichting, coating, watermanagement of een aanvullende corrosiereserve nodig zijn.
Welke normen en richtlijnen gelden voor een dukdalf?
Voor flexibele stalen dukdalven is de CROW-CUR Richtlijn 7:2024 Flexible Dolphins een belangrijke Nederlandse ontwerprichtlijn. Deze behandelt onder meer aanmeerbelasting, afmeerbelasting, betrouwbaarheid, paal-bodeminteractie, staalgedrag, lokale knik, vermoeiing, fabricage en uitvoering.
Voor fendersystemen en de berekening van aanmeerenergie kan PIANC WG211 relevant zijn. Afhankelijk van het project kunnen ook internationale havenbouwkundige richtlijnen en contractuele eisen worden toegepast.
| Norm of richtlijn | Onderwerp |
|---|---|
| CROW-CUR Richtlijn 7:2024 | Ontwerp en beoordeling van flexibele dukdalven |
| PIANC WG211 | Fendersystemen en aanmeerenergie |
| EN 1993-1-1 | Algemene ontwerpregels voor staalconstructies |
| EN 1993-1-6 | Sterkte en stabiliteit van schaalconstructies |
| EN 1993-1-8 | Ontwerp van staalverbindingen |
| EN 1993-1-9 | Vermoeiingsberekeningen |
| EN 1997 | Geotechnisch ontwerp |
| EN 1090-2 | Technische uitvoeringseisen voor staalconstructies |
| EN 10210 | Warmvervaardigde constructieve holle profielen |
| EN 10219 | Koudgevormde gelaste constructieve holle profielen |
| EN 10025 | Warmgewalste producten van constructiestaal |
| EN 10204 | Inspectiedocumenten en materiaalcertificaten |
| ISO 13174 | Kathodische bescherming van havenconstructies |
EN 1993-5 bevat ontwerpregels voor stalen paalfunderingen en damwanden, maar sluit dukdalven van het formele toepassingsgebied uit. Deze norm kan daarom niet zelfstandig als volledige ontwerpgrondslag voor een dukdalf worden gebruikt.
Welke normen contractueel en technisch van toepassing zijn, moet per project worden bepaald aan de hand van de constructie, productvorm, locatie, uitvoeringsmethode en projectspecificatie.
Wat is het verschil tussen een dukdalf, meerpaal en remmingwerk?
Een meerpaal is een algemene benaming voor een houten, betonnen of stalen paal waaraan een vaartuig kan worden vastgelegd. Een dukdalf kan als meerpaal functioneren, maar is vaak zwaarder uitgevoerd en kan daarnaast fenders, platforms, afmeerhaken of beschermingsvoorzieningen dragen.
Een remmingwerk is een langgerekte geleideconstructie die meestal uit meerdere palen, gordingen en wrijfhouten bestaat. Het remmingwerk begeleidt schepen bijvoorbeeld naar een sluis, brugopening of kade. Een dukdalf is doorgaans een afzonderlijk of geconcentreerd constructie-element.
| Constructie | Belangrijkste functie | Gebruikelijke uitvoering |
|---|---|---|
| Afmeerdukdalf | Opnemen van krachten uit landvasten | Stalen buispaal met bolder of afmeerhaak |
| Aanlegdukdalf | Opvangen van aanmeerenergie | Flexibele buispaal met fendersysteem |
| Beschermingsdukdalf | Beschermen van een kunstwerk | Zware buispaal of paalgroep |
| Meerpaal | Vastleggen van een vaartuig | Houten, betonnen of stalen paal |
| Fenderpaal | Opnemen van scheepscontact | Paal met fender of wrijfbalk |
| Remmingwerk | Geleiden van scheepvaart | Reeks palen met horizontale liggers |
Kunnen surplus stalen buizen voor een dukdalf worden gebruikt?
Een surplus stalen buis kan voor een dukdalf worden gebruikt wanneer aantoonbaar is dat de buis aan alle constructieve en projectspecifieke eisen voldoet. De aanduiding surplus zegt op zichzelf niets over de kwaliteit, sterkte of technische geschiktheid.
Belangrijke controlepunten zijn:
- de werkelijke buitendiameter en wanddikte;
- de resterende wanddikte na eventuele corrosie;
- de staalsoort en leveringstoestand;
- de productnorm en productiemethode;
- de kwaliteit van de langs- of spiraallas;
- de rechtheid en ovaliteit;
- eventuele beschadigingen of vervormingen;
- de beschikbare materiaalcertificaten;
- de geschiktheid voor lassen, hijsen en heien.
Voor een zwaar of dynamisch belaste havenconstructie zijn materiaaltraceerbaarheid en betrouwbare materiaalgegevens belangrijk. Wanneer de oorspronkelijke staalsoort, productnorm of herkomst niet voldoende kan worden aangetoond, kunnen aanvullende materiaalonderzoeken nodig zijn.
Welke technische gegevens moeten voor een dukdalfbuis worden vastgelegd?
Een volledige buisspecificatie bevat meer dan alleen de diameter en wanddikte. Minimaal moeten de volgende gegevens worden vastgelegd:
- buitendiameter en diametertolerantie;
- nominale wanddikte per buissectie;
- minimaal vereiste restwanddikte;
- totale paallengte en sectielengtes;
- staalsoort en leveringstoestand;
- productnorm of plaatstaalnorm;
- type langsnaad, spiraalnaad en rondlassen;
- eisen aan rechtheid en ovaliteit;
- toegestane diameter-wanddikteverhouding;
- kerfslagtaaiheid en lasbaarheid;
- corrosietoeslag;
- coating- en conserveringssysteem;
- eventuele kathodische bescherming;
- eisen voor transport, hijsen en heien;
- aansluitingen voor fenders, bolders en platforms;
- inspectie- en onderhoudsstrategie;
- ontwerplevensduur en vervangingscriteria.
Voor de kwaliteitsborging worden vaak inspectiedocumenten volgens EN 10204 gevraagd, bijvoorbeeld een 3.1-certificaat. De buismarkering, het charge- of smeltnummer en de materiaalcertificaten moeten voldoende traceerbaar zijn.
Een materiaalaanduiding zoals S355J2H bevat geen informatie over de buisafmetingen, lasnaad, oppervlaktebehandeling of uiteindelijke belastbaarheid. De geschiktheid van een dukdalfbuis wordt bepaald door de combinatie van diameter, wanddikte, staalsoort, lasdetails, bodemgedrag, afmeer- en aanmeerkrachten, corrosiebescherming en installatiemethode.
Stalen buis nodig voor een dukdalf?
Voor een dukdalf moeten diameter, wanddikte, staalsoort en buislengte aansluiten op de constructieve belasting, bodemopbouw en uitvoeringsmethode. Bespreek de benodigde buisspecificaties met Solines.
āļø Telefoon: 0168 ā 35 66 55
āļø E-mail: sales@solines.nl





