Ultrasone meting van de resterende wanddikte
De resterende wanddikte wordt meestal niet-destructief gemeten met een ultrasone wanddiktemeter, die de looptijd van geluidsgolven door het staal omzet in millimeters.
Deze techniek wordt ultrasone wanddiktemeting, ultrasonic thickness measurement of UTM genoemd. Het is een vorm van niet-destructief onderzoek, ook aangeduid als NDO, NDT of UT.
Ultrasoon meten maakt het mogelijk om de wanddikte te controleren zonder de stalen buis door te zagen. Bij een standaard contactmeting hoeft doorgaans slechts één zijde bereikbaar te zijn. De techniek kan daardoor worden toegepast op bestaande constructies, gemonteerde leidingen, funderingsbuizen en andere buizen waarvan de binnenzijde niet toegankelijk is.
Andere methoden voor het meten van wanddikte
Een schuifmaat of buismicrometer kan de wanddikte rechtstreeks bepalen bij een bereikbaar buisuiteinde. Daarmee wordt echter geen inwendige corrosie of plaatselijk wandverlies verderop in de buis vastgesteld.
| Meetmethode | Geschikt voor | Belangrijkste beperking |
|---|---|---|
| Ultrasone wanddiktemeting | Bestaande, gesloten of gemonteerde buizen | Geeft een lokale waarde onder de probe |
| Buismicrometer | Bereikbare buisuiteinden en proefstukken | Binnen- en buitenzijde moeten bereikbaar zijn |
| Schuifmaat | Globale maatcontrole aan een open uiteinde | Minder geschikt voor nauwkeurige corrosiemeting |
| Ultrasone corrosiemapping | Grotere oppervlakken en plaatselijke aantasting | Vereist een meetraster en gespecialiseerde apparatuur |
Wat is het verschil tussen nominale en resterende wanddikte?
De resterende wanddikte, ook wel restwanddikte of actuele wanddikte genoemd, is de werkelijke plaatselijke dikte van de stalen buiswand op het moment van inspectie. Deze waarde kan afwijken door productietoleranties, corrosie, erosie, slijtage of mechanische beschadiging.
De nominale wanddikte is de opgegeven productmaat, bijvoorbeeld 8,0 millimeter bij een buis met de afmeting Ø 508,0 × 8,0 millimeter. Op deze maat kunnen toleranties uit de toepasselijke productnorm van toepassing zijn. Een verschil tussen de nominale en gemeten wanddikte betekent daarom niet automatisch dat materiaalverlies is opgetreden.
Voor een betrouwbare beoordeling wordt de actuele staaldikte vergeleken met oorspronkelijke maatrapporten, materiaalcertificaten, eerdere wanddiktemetingen en de geldende productspecificatie. De afname ten opzichte van een betrouwbare referentiewaarde wordt wandafname of metaalverlies genoemd.
Een afnemende wanddikte verkleint het staaloppervlak van de doorsnede en kan de draagkracht, stijfheid en knikweerstand van een stalen buis beïnvloeden. Dit is onder meer relevant bij buispalen, funderingsbuizen, constructiebuizen, aanmeerpalen, leidingwerk en toepassingen in de waterbouw.
Hoe werkt een ultrasone wanddiktemeter?
Een ultrasone wanddiktemeter gebruikt een transducer, ook wel probe of meetkop genoemd. Deze stuurt een korte geluidspuls door het staal. Aan de achterwand – bij een buis meestal de binnenzijde – wordt de puls gereflecteerd. De teruggekaatste achterwandecho wordt vervolgens door de probe opgevangen.
Het meetapparaat bepaalt de looptijd van de geluidspuls heen en terug. Met de ingestelde geluidssnelheid van het onderzochte materiaal wordt vervolgens de wanddikte berekend:
Wanddikte = geluidssnelheid × looptijd ÷ 2
De deling door twee is nodig omdat de geluidspuls de buiswand tweemaal doorloopt. ISO 16809:2025 beschrijft ultrasone diktebepaling met contact- en immersietechnieken op basis van deze looptijdmeting.
Tussen de meetkop en het staal wordt een geschikt koppelmiddel aangebracht, bijvoorbeeld ultrasone meetgel. Dit verdringt de lucht tussen beide oppervlakken en zorgt voor een bruikbare overdracht van het ultrasone signaal.
Hoe wordt een wanddikte-inspectie uitgevoerd?
Een professionele wanddiktecontrole bestaat uit meerdere stappen:
- Meetplan opstellen. De meetlocaties worden vooraf bepaald. Risicozones zoals de waterlijn, grondlijn, buisuiteinden, lasgebieden, opleggingen, bochten en plaatsen met mechanische slijtage krijgen extra aandacht.
- Oppervlak beoordelen. Vuil, losse roest, schilfers en slecht hechtende verflagen worden verwijderd voor zover de meetprocedure dit verlangt. Een ruw of instabiel oppervlak kan de koppeling en echo verstoren.
- Probe selecteren. De transducer moet passen bij de verwachte wanddikte, buisdiameter, oppervlaktetoestand en temperatuur. Bij gecorrodeerde oppervlakken wordt vaak een dual-elementprobe of twee-elementenprobe gebruikt.
- Meetapparatuur kalibreren. De geluidssnelheid en nulcorrectie worden ingesteld met een geschikt referentie- of kalibratieblok. De kalibratie moet aansluiten op het materiaal, de probe, de temperatuur en het verwachte meetbereik.
- Wanddikte meten. De inspecteur brengt koppelmiddel aan en plaatst de meetkop volgens de voorgeschreven oriëntatie op het oppervlak. Alleen stabiele en reproduceerbare meetwaarden worden geaccepteerd.
- Meetwaarden registreren. De afzonderlijke waarden, exacte meetpunten, laagste gemeten wanddikte en relevante meetomstandigheden worden vastgelegd.
Een losse meting geeft alleen de staaldikte in het gebied onder de probe weer. Voor een representatief beeld zijn daarom meerdere metingen rond de omtrek en over de lengte van de buis nodig.
Hoe worden corrosie en plaatselijk wandverlies gemeten?
Bij gelijkmatige corrosie neemt de wanddikte over een groter oppervlak relatief geleidelijk af. Putcorrosie of pitting veroorzaakt daarentegen kleine, plaatselijk diepere aantastingen. Een gemiddelde meetwaarde kan zulke lokale minima verbergen.
Bij een ultrasone corrosiemeting wordt de probe daarom volgens een meetraster of scanpatroon over het onderzoeksgebied bewogen. Voor het nauwkeurig lokaliseren van de minimale wanddikte kan een fijner meetraster, een kleinere transducer of geautomatiseerde corrosiemapping nodig zijn.
Iedere combinatie van wanddiktemeter en probe heeft een minimaal betrouwbaar meetbereik. Wanneer de werkelijke restwanddikte daaronder ligt, kan het instrument een ongeldige echo selecteren en een onjuist hoge waarde weergeven. De gekozen meetopstelling moet daarom aantoonbaar geschikt zijn voor de verwachte minimale materiaaldikte.
De omvang van het materiaalverlies kan worden berekend wanneer een betrouwbare referentiedikte bekend is:
Materiaalverlies = referentiedikte − gemeten restwanddikte
Voor deze vergelijking is een oorspronkelijke meetwaarde meestal betrouwbaarder dan alleen de nominale wanddikte, omdat de buis binnen de productietoleranties oorspronkelijk iets dikker of dunner kan zijn geweest.
Kan de wanddikte door verf of coating heen worden gemeten?
Een wanddiktemeting door verf, epoxy of een andere niet-metallische coating is mogelijk, maar niet met iedere meetinstelling. Een conventionele pulse-echometing kan de looptijd door de coating meenemen en deze volgens de geluidssnelheid van staal omrekenen. Hierdoor kan de weergegeven staalwand te dik lijken.
Mogelijke oplossingen zijn het plaatselijk verwijderen van de coating, een echo-tot-echometing of een ultrasone wanddiktemeter met coatingcompensatie. Bij echo-tot-echo wordt het tijdsverschil tussen opeenvolgende achterwandecho’s in het staal gemeten. De coating wordt daardoor niet in de berekende staaldikte opgenomen.
Deze methode heeft beperkingen. Sterke corrosie, een zeer ruw oppervlak of onvoldoende signaalsterkte kan voorkomen dat meerdere bruikbare achterwandecho’s ontstaan. Ook bij dikkere PE-bekleding of meerlaagse coatings moet vooraf worden vastgesteld welke meetmethode door de coating geschikt is.
Hoe nauwkeurig is een ultrasone wanddiktemeting?
De nauwkeurigheid van een ultrasone diktemeting hangt niet alleen af van de wanddiktemeter. Ook de kalibratie, geluidssnelheid, probe, buisdiameter, temperatuur, oppervlakteruwheid, coating en ervaring van de inspecteur beïnvloeden het resultaat.
Bij een kleine buitendiameter sluit een grote vlakke probe minder goed aan op het gebogen oppervlak. Een kleinere meetkop en nauwkeurige uitlijning kunnen dan nodig zijn. Ook ovaliteit, een onregelmatige binnenwand en plaatselijke pitting kunnen de vorm en sterkte van de achterwandecho beïnvloeden.
Bij warme stalen buizen verandert de geluidssnelheid in het materiaal. Daarnaast hebben probes en koppelmiddelen een maximaal temperatuurbereik. Voor een betrouwbare meting bij verhoogde temperatuur zijn geschikte apparatuur en kalibratie onder representatieve temperatuurcondities nodig.
Bij kritieke of moeilijk interpreteerbare metingen kan een apparaat met A-scanweergave worden gebruikt. Hiermee kan de inspecteur de ultrasone golfvorm bekijken en controleren of de weergegeven dikte daadwerkelijk op een geldige achterwandecho is gebaseerd.
Het aantal decimalen op het display is niet hetzelfde als de werkelijke meetzekerheid. Een meetwaarde moet reproduceerbaar zijn, binnen het gekalibreerde bereik vallen en met een geschikte meetprocedure voor wanddikte zijn vastgesteld.
Bij welke stalen buizen wordt wanddikteonderzoek toegepast?
Ultrasoon wanddikteonderzoek kan worden toegepast op gelaste en naadloze stalen buizen. Veelvoorkomende toepassingen zijn:
- stalen buispalen en heibuizen;
- funderingsbuizen en casingbuizen;
- constructiebuizen en stalen kolommen;
- mantelbuizen;
- aanmeer- en meerpalen;
- industriële leidingen;
- transportleidingen;
- buizen voor waterbouw en offshoreconstructies;
- gebruikte of bestaande stalen buizen.
Bij langsnaadgelaste of spiraalgelaste buizen kan het gebied rond de lasnaad een aangepaste meetbenadering vereisen. De lasgeometrie en plaatselijke materiaalstructuur kunnen het ultrasone signaal beïnvloeden.
Staalsoorten zoals S235, S275, S355 en S355J2H hebben verschillende mechanische eigenschappen. Een ultrasone meting bepaalt echter uitsluitend de geometrische wanddikte. De staalkwaliteit kan niet uit de gemeten dikte worden afgeleid en moet via markering, materiaalcertificaten of aanvullend materiaalonderzoek worden vastgesteld.
Welke normen gelden voor ultrasone wanddiktemeting?
Voor ultrasone diktebepaling is ISO 16809:2025 een belangrijke internationale norm. Deze beschrijft de principes voor het bepalen van de dikte van metalen en niet-metalen met ultrasone contact- of immersietechnieken.
ISO 16831:2025 behandelt de karakterisering en verificatie van apparatuur voor ultrasone diktebepaling. Wanneer gecertificeerd NDO-personeel wordt verlangd, kan ISO 9712:2021 van toepassing zijn. Deze norm bevat eisen voor de kwalificatie en certificering van personeel dat industrieel niet-destructief onderzoek uitvoert.
Productnormen zoals EN 10210 voor warmvervaardigde constructieve holle profielen en EN 10219 voor koudvervaardigde gelaste constructieve holle profielen kunnen relevant zijn voor de oorspronkelijke maatvoering en wanddiktetoleranties. Voor leidingbuizen, funderingsbuizen en andere buistypen kunnen andere normen en projectspecificaties gelden.
Wat moet in een meetrapport staan?
Een rapport van een technische kwaliteitscontrole van stalen buizen vermeldt bij voorkeur:
- identificatie, buitendiameter en nominale wanddikte van de buis;
- staalsoort en productnorm, indien bekend;
- gebruikte wanddiktemeter en transducer;
- meetbereik, kalibratiemethode en referentiestuk;
- toestand en voorbereiding van het oppervlak;
- aanwezigheid en type coating;
- temperatuur tijdens de inspectie;
- meetraster en exacte meetlocaties;
- afzonderlijke meetwaarden en minimale restwanddikte;
- eventuele beperkingen en meetonzekerheden.
Door de meetpunten eenduidig vast te leggen, kunnen latere inspecties op dezelfde locaties worden uitgevoerd. Zo kan de ontwikkeling van corrosie, erosie of andere vormen van wandafname in de tijd worden gevolgd.
Wat is de minimaal toegestane wanddikte?
Er bestaat geen universele minimale wanddikte die voor iedere stalen buis veilig is. De gemeten restwanddikte moet worden vergeleken met de oorspronkelijke maat, toegestane producttoleranties, aanwezige corrosietoeslag en de minimaal vereiste wanddikte uit de constructieve of druktechnische berekening.
Bij constructiebuizen en funderingsbuizen spelen naast wanddikte ook buitendiameter, staalsoort, buislengte, belasting, knikgevoeligheid, lasverbindingen, vermoeiing en omgevingsomstandigheden een rol. Bij stalen buispalen moeten bovendien de installatiemethode, bodemgesteldheid en geotechnische belasting worden beoordeeld.
Een eenmalige meting toont alleen de toestand op het meetmoment. Voor het bepalen van een corrosiesnelheid zijn herhaalmetingen op dezelfde locaties en onder vergelijkbare omstandigheden nodig. De minimale betrouwbare meetwaarde, het patroon van de wandafname en de ontwikkeling in de tijd vormen samen de basis voor een beoordeling van de resterende sterkte of restlevensduur.
Voor drukleidingen bestaan specifieke methoden voor het beoordelen van metaalverlies, waaronder ASME B31G. Deze zijn ontwikkeld voor bepaalde drukleidingsystemen en kunnen niet zonder afzonderlijke technische onderbouwing worden toegepast op buispalen, funderingsbuizen of andere staalconstructies.
Vragen over wanddikte of een geschikte stalen buis?
Heeft u vragen over de gewenste wanddikte, buisafmetingen of staalsoort voor uw toepassing? De specialisten van Solines denken graag met u mee.
☎️ Telefoon: 0168 – 35 66 55
✉️ E-mail: sales@solines.nl





