Kan een surplusbuis een 3.1-certificaat hebben?
De aanduiding surplus beschrijft de handelsstatus van een stalen buis. Deze term zegt niet automatisch iets over de oorspronkelijke productkwaliteit, staalsoort, normering of certificering. Een surplusbuis kan daarom dezelfde aantoonbare materiaaleigenschappen hebben als een regulier verhandelde buis.
Een los materiaalcertificaat is echter niet voldoende. Voor een betrouwbare certificaatkoppeling moet duidelijk zijn dat de gegevens op het document daadwerkelijk betrekking hebben op de geleverde buis, charge of testeenheid.
Wat is een surplusbuis?
Een surplusbuis is doorgaans een nieuwe en ongebruikte stalen buis die overblijft uit een productieorder, projectvoorraad, geannuleerde bestelling of handelsvoorraad. De buis is meestal niet speciaal als surplus geproduceerd, maar krijgt deze status nadat zij buiten de oorspronkelijke order beschikbaar komt.
Surplus stalen buizen kunnen onder meer afkomstig zijn uit:
- een restant van een grotere productiepartij;
- overtollige voorraad van een bouw- of infraproject;
- een geannuleerde of gewijzigde bestelling;
- een niet volledig afgenomen order;
- incourante diameters, wanddiktes of lengtes;
- voorraad die niet meer binnen het oorspronkelijke verkoopprogramma past.
De termen surplusbuis, restpartij, overtollige buizenvoorraad en surplus stalen buizen worden in de praktijk voor vergelijkbare partijen gebruikt. Surplus betekent niet automatisch dat het materiaal gebruikt, beschadigd, afgekeurd of technisch minderwaardig is.
Wel kan de beschikbare documentatie per partij verschillen. Sommige surplusbuizen zijn volledig gecertificeerd en traceerbaar, terwijl bij andere partijen slechts beperkte materiaalgegevens beschikbaar zijn.
Wat is een 3.1-certificaat volgens EN 10204?
Een 3.1-certificaat is een inspectiecertificaat voor metalen producten volgens EN 10204. De fabrikant verklaart hierin dat de geleverde producten voldoen aan de overeengekomen bestelling. Het document bevat daarnaast resultaten van specifieke inspecties en materiaalbeproevingen.
De vereiste tests, testeenheden en grenswaarden worden bepaald door de toepasselijke productnorm, technische leveringsvoorwaarden en projectspecificaties. Het certificaat wordt gevalideerd door een bevoegde inspectievertegenwoordiger van de fabrikant die onafhankelijk is van de productieafdeling.
Een 3.1-certificaat wordt ook aangeduid als:
- EN 10204 type 3.1;
- inspectiecertificaat 3.1;
- materiaalcertificaat;
- staalcertificaat;
- fabriekscertificaat;
- mill test certificate of MTC;
- material test report of MTR.
Niet ieder document dat als materiaalcertificaat wordt omschreven, is automatisch een officieel 3.1-certificaat. De verwijzing naar EN 10204 en het documenttype moeten daarom duidelijk op het certificaat staan.
Welke gegevens staan op een 3.1-certificaat?
De precieze inhoud verschilt per staalsoort, productnorm, fabrikant en bestelling. Een inspectiecertificaat bevat doorgaans identificatiegegevens, productspecificaties en resultaten van materiaalproeven.
Veelvoorkomende gegevens zijn:
- naam van de fabrikant of staalfabriek;
- order-, positie- en certificaatnummer;
- productomschrijving en afmetingen;
- staalsoort en eventueel materiaalnummer;
- toepasselijke productnorm;
- charge- of heatnummer;
- geleverde hoeveelheid;
- chemische samenstelling;
- vloeigrens en treksterkte;
- rek na breuk;
- kerfslagwaarden, wanneer vereist;
- leverings- of warmtebehandelingstoestand;
- resultaten van aanvullende beproevingen;
- verklaring van overeenstemming en validatie.
De testresultaten gelden voor de charge, partij of testeenheid die op het certificaat is vermeld. Ze mogen niet zonder controle worden toegepast op iedere buis met dezelfde diameter, wanddikte of staalsoort.
Waarom kan een surplusbuis gecertificeerd zijn?
De commerciƫle status van een buis kan veranderen nadat productie, keuring en certificering al hebben plaatsgevonden. Een stalen buis kan oorspronkelijk als regulier materiaal zijn geproduceerd en getest, maar later als surplus beschikbaar komen.
Een partij constructiebuizen kan bijvoorbeeld volgens EN 10219 zijn vervaardigd en met een 3.1-certificaat zijn geleverd. Wanneer het oorspronkelijke project slechts een deel van de partij gebruikt, kunnen de resterende buizen als surplus worden aangeboden.
De surplusstatus verandert in dat geval niets aan:
- de oorspronkelijke staalsoort;
- de productiemethode;
- de uitgevoerde materiaalproeven;
- de chemische analyse;
- de gemeten mechanische eigenschappen;
- de oorspronkelijke productnorm.
De bruikbaarheid van het certificaat blijft wel afhankelijk van een aantoonbare koppeling tussen de resterende buizen en het oorspronkelijke inspectiedocument.
Traceerbaarheid tussen surplusbuis en certificaat
Materiaaltraceerbaarheid betekent dat de fysieke buis kan worden herleid tot de productiepartij, charge, smelt of testeenheid waarop de certificaatgegevens betrekking hebben.
Deze koppeling kan worden vastgelegd via:
- een chargenummer of heat number;
- een buis- of productnummer;
- originele fabrieksmarkeringen;
- verfmarkeringen of slagletters;
- bundellabels;
- order- en positienummers;
- magazijnregistraties;
- zaag- en bewerkingsadministratie;
- pakbonnen en leveringsdocumenten.
Het chargenummer op de buis, het label of de begeleidende documentatie moet overeenkomen met het nummer op het 3.1-certificaat. Alleen dezelfde diameter, wanddikte en staalsoort zijn niet voldoende.
Twee buizen met dezelfde maat en materiaalaanduiding kunnen namelijk uit verschillende charges afkomstig zijn. Daardoor kunnen de chemische samenstelling en gemeten mechanische eigenschappen van elkaar verschillen.
Wat is een chargenummer of heat number?
Een chargenummer of heat number is een identificatiecode die verwijst naar een specifieke staalcharge of smelt. De code vormt een belangrijke schakel tussen het product, de productieregistratie en de materiaaltestresultaten.
Het chargenummer kan terugkomen op de buis, het bundellabel, het 3.1-certificaat, de pakbon en de magazijnadministratie. Wanneer deze identificatie ontbreekt of onleesbaar is, kan het moeilijk zijn om aan te tonen dat de buis bij het meegeleverde certificaat hoort.
Kan een handelaar een 3.1-certificaat doorleveren?
Een staalhandelaar, buizenleverancier of voorraadhouder kan het oorspronkelijke 3.1-certificaat of een gecontroleerde kopie daarvan aan de afnemer verstrekken. De handelaar stelt daarmee niet zelf een nieuw fabriekscertificaat op.
Een kopie is bruikbaar wanneer:
- de oorspronkelijke fabrikant herkenbaar blijft;
- het document volledig en leesbaar is;
- de testresultaten niet inhoudelijk zijn gewijzigd;
- de geleverde buizen traceerbaar blijven;
- het chargenummer overeenkomt met de partij;
- een eventuele deelhoeveelheid correct is vastgelegd.
Een pakbon, handelsverklaring of leveranciersverklaring kan de leveringsketen ondersteunen, maar vervangt het oorspronkelijke inspectiecertificaat type 3.1 niet.
Wat gebeurt er wanneer een gecertificeerde buis wordt gezaagd?
Bij het zagen van een gecertificeerde stalen buis kan de oorspronkelijke identificatiemarkering op slechts ƩƩn deelstuk achterblijven. De overige delen zijn dan niet meer automatisch herkenbaar als materiaal uit dezelfde charge.
Om de traceerbaarheid te behouden, moet de identificatie gecontroleerd worden overgedragen. Dat kan bijvoorbeeld door:
- ieder deelstuk opnieuw te markeren;
- ieder buisdeel een uniek intern nummer te geven;
- de zaagorder aan het oorspronkelijke chargenummer te koppelen;
- de relatie tussen moederbuis en deelstukken vast te leggen;
- materiaal uit verschillende charges gescheiden op te slaan.
Het gecontroleerd overnemen van materiaalmarkeringen wordt herwaarmerken of mark transfer genoemd. Een chargenummer mag niet zonder aantoonbare procedure op een willekeurig materiaalstuk worden aangebracht.
Blijft het 3.1-certificaat geldig na bewerking?
Het oorspronkelijke certificaat blijft betrekking houden op de gecertificeerde eigenschappen van de uitgangsbuis, mits de materiaalidentiteit behouden blijft. Dat kan ook gelden wanneer de buis later wordt gezaagd, geboord, gebeveld, gelast, gecoat of thermisch verzinkt.
Het 3.1-certificaat bewijst echter niet automatisch dat de later uitgevoerde bewerking correct is uitgevoerd. Het certificaat van de buis is bijvoorbeeld geen bewijs voor de kwaliteit van een lasverbinding, coating, verzinklaag, flensverbinding of complete samengestelde constructie.
Voor deze werkzaamheden kunnen aanvullende documenten nodig zijn, zoals lasprocedures, keuringsrapporten, meetrapporten of kwaliteitsverklaringen.
Kan achteraf een 3.1-certificaat worden opgesteld?
Een leverancier of handelaar kan niet zelfstandig achteraf een oorspronkelijk 3.1-certificaat opstellen voor een onbekende stalen buis. Het inspectiecertificaat wordt afgegeven door de oorspronkelijke fabrikant en gevalideerd door diens bevoegde inspectievertegenwoordiger.
Achteraf uitgevoerd materiaalonderzoek kan wel aanvullende informatie geven. Mogelijke onderzoeken zijn:
- PMI-onderzoek;
- chemische analyse met spectrometrie;
- trekproeven;
- hardheidsmetingen;
- kerfslagproeven;
- ultrasoon onderzoek;
- wanddiktemetingen;
- visuele en maatvoeringstechnische inspecties.
PMI staat voor Positive Material Identification en wordt gebruikt om de chemische samenstelling of legering van een metaal te controleren.
De resultaten kunnen worden vastgelegd in een laboratorium- of keuringsrapport. Zoān rapport is echter niet automatisch gelijkwaardig aan een origineel EN 10204 type 3.1-certificaat. Het bewijst bijvoorbeeld niet zonder meer wie de fabrikant was of volgens welke productnorm de buis oorspronkelijk is vervaardigd.
Verschil tussen een 3.1-certificaat en andere documenten
| Document | Betekenis |
|---|---|
| Origineel 3.1-certificaat | Door de fabrikant afgegeven inspectiecertificaat met resultaten van specifieke inspecties en materiaalproeven. |
| Kopie van een 3.1-certificaat | Bruikbaar wanneer het document correct wordt overgedragen en de traceerbaarheid behouden blijft. |
| Leveranciersverklaring | Verklaring van de leverancier over de partij; geen zelfstandig 3.1-certificaat. |
| Laboratoriumrapport | Resultaten van achteraf uitgevoerde tests; niet automatisch gelijkwaardig aan EN 10204 type 3.1. |
| Pakbon | Ondersteunt de leveringsadministratie, maar bevat doorgaans geen volledige materiaaltestresultaten. |
| 2.2-certificaat | Testrapport met niet-specifieke inspectieresultaten; niet gelijk aan een 3.1-certificaat. |
| 3.2-certificaat | Inspectiecertificaat dat mede wordt gevalideerd door een onafhankelijke vertegenwoordiger of inspectie-instantie. |
Wanneer is een 3.1-certificaat nodig?
Niet iedere surplusbuis hoeft standaard met een 3.1-certificaat te worden geleverd. De certificaateis volgt uit het bestek, de bestelling, de productnorm, contractuele afspraken, wettelijke voorschriften en de technische eisen van het project.
Een 3.1-certificaat wordt vaak gevraagd bij:
- dragende staalconstructies;
- funderingsbuizen en stalen buispalen;
- heibuizen;
- infrastructurele constructies;
- bruggen en kunstwerken;
- offshore- en maritieme toepassingen;
- drukleidingen en drukapparatuur;
- energie- en petrochemische installaties;
- industriƫle leidingbouw;
- projecten met een inspectie- en testplan.
De aanwezigheid van een 3.1-certificaat betekent niet automatisch dat een buis voor iedere toepassing geschikt is. Ook de afmetingen, toleranties, oppervlakteconditie, lasuitvoering, corrosietoeslag en projectspecifieke eisen moeten worden beoordeeld.
Is een gecertificeerde surplusbuis geschikt voor fundering?
Een surplusbuis met een 3.1-certificaat kan geschikt zijn als funderingsbuis, heibuis of buispaal. Het certificaat alleen is daarvoor echter niet voldoende.
Voor toepassing in funderingstechniek moeten onder meer de volgende eigenschappen worden gecontroleerd:
- buitendiameter en wanddikte;
- buislengte;
- staalsoort en vloeigrens;
- knikgevoeligheid;
- corrosietoeslag;
- lasbaarheid;
- rondheid en rechtheid;
- oppervlakteconditie;
- belastingen uit het funderingsontwerp;
- uitvoeringsmethode en projectspecifieke toleranties.
Een gecertificeerde surplusbuis kan materiaaltechnisch aantoonbaar zijn, maar moet daarnaast voldoen aan de constructieve berekening en de eisen van het funderingsontwerp.
Voorbeeld: S355J2H volgens EN 10219
Een surplusbuis kan bijvoorbeeld zijn vervaardigd in S355J2H volgens EN 10219. Dit is een veelgebruikte staalsoort voor koudvervaardigde gelaste constructieve holle profielen.
- S: constructiestaal;
- 355: nominale minimale vloeigrens voor de laagste dikteklasse;
- J2: minimale kerfslagenergie van 27 joule bij ā20 °C;
- H: constructief hol profiel.
De exacte minimale vloeigrens is afhankelijk van de wanddikte. Daarom mag niet worden aangenomen dat iedere S355J2H-buis bij elke wanddikte een vloeigrens van exact 355 MPa heeft.
EN 10219 heeft betrekking op koudvervaardigde gelaste constructieve holle profielen. EN 10210 heeft betrekking op warmvervaardigde constructieve holle profielen. De productiemethode en normreferentie moeten overeenkomen met het certificaat en de projectspecificatie.
Hoe controleer je een surplusbuis met 3.1-certificaat?
Bij de beoordeling moeten de fysieke buis, het certificaat en de leveringsdocumenten gezamenlijk worden gecontroleerd.
- Controleer of het chargenummer op de buis of bundel overeenkomt met het certificaat.
- Controleer de naam van de oorspronkelijke fabrikant.
- Controleer of EN 10204 type 3.1 expliciet is vermeld.
- Vergelijk de staalsoort, het materiaalnummer en de productnorm.
- Vergelijk diameter, wanddikte, lengte en productvorm.
- Controleer of het document specifieke inspectieresultaten bevat.
- Controleer of alle paginaās en bijlagen aanwezig zijn.
- Beoordeel of de geleverde hoeveelheid logisch herleidbaar is.
- Controleer of de traceerbaarheid na opslag, zagen of bewerking behouden bleef.
- Vergelijk de testwaarden met het bestek en de projectspecificatie.
Ontbrekende markeringen, onverklaarde wijzigingen of een niet sluitende koppeling tussen verschillende charges zijn redenen om aanvullende verificatie uit te voeren.
Wanneer is een surplusbuis aantoonbaar met een 3.1-certificaat geleverd?
Een surplusbuis is aantoonbaar met een 3.1-certificaat geleverd wanneer aan drie kernvoorwaarden wordt voldaan:
- er is een geldig inspectiecertificaat type 3.1 van de oorspronkelijke fabrikant;
- de testresultaten behoren bij de betreffende charge, partij of testeenheid;
- de fysieke buis is via markeringen en documentatie betrouwbaar aan het certificaat gekoppeld.
Surplus en certificering sluiten elkaar dus niet uit. De bewijskracht van het certificaat wordt bepaald door de authenticiteit van het document, de volledigheid van de materiaalgegevens en de ononderbroken traceerbaarheid tussen de stalen buis en het inspectiecertificaat.
Vragen over surplusbuizen en 3.1-certificaten?
Wilt u weten of een specifieke surplusbuis met een geldig 3.1-certificaat kan worden geleverd of heeft u vragen over traceerbaarheid, materiaalgegevens of certificering? Onze specialisten helpen u bij het beoordelen van de beschikbare documentatie en de toepasselijkheid voor uw project.
š 0168 ā 35 66 55
āļø sales@solines.nl





